kerkgangster

vrouwelijk (de)/ ˈkɛrkχɑŋstər /

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen (vrouwelijke vorm)
    Ze was rooms-katholiek en een toegewijde kerkgangster.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van kerk en gang

Vertalingen

Engelschurchgoer
DuitsKirchengängerin, Kirchgängerin
Spaansfeligresa
Deenskirkegænger