kerkdeur

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛrᵊɡˌdør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een deur van een kerk
    Kan jij de Latijnse tekst in de kerkdeur lezen?
    Het houten hek was versterkt met ijzeren banden en klinknagels en was minstens twee keer zo hoog en drie keer zo breed als de kerkdeuren.

Vertalingen

Engelschurch door