kemel

mannelijk (de)/ˈkeməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, evenhoevigen (verouderd) (evenhoevigen) hoefdier met twee bulten op de rug
    Volgens mijn eigen onderzoek zijn in het spitsuur drie op de vijf meisjes tussen de veertien en twintig jaar mobiel aan het bellen. Eer kruipt een kemel door het oog van een naald dan dat je ze daar van afbrengt. Er zijn ernstiger zaken aan de orde.
    En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) blunder, flater, een stomme grote fout die je eigenlijk niet had hoeven maken
    Toen aan de kandidaten gevraagd werd of ze de uitslag van de verkiezingen zouden respecteren, schoot Trump volgens velen een kemel. 'Dat zal ik op dat moment nog wel zien. Ik hou jullie in spanning.'
    Het viel op dat de deelnemers milder waren voor elkaar dan tijdens de afgelopen debatten. De campagne weegt, en iedereen lijkt voorzichtiger te zijn. En op te letten dat ze, zo kort voor 14 oktober, geen kemel schieten of zich niet vergalopperen.
    Stelling: als Willy Vandersteen na de Tweede Wereldoorlog had geweigerd om zijn Suske en Wiskes in het Noord-Nederlands te laten vertalen, spraken we nu allemaal Vlaams en dan wisten we wat spreekdraad was en doddelen, een kemel, ribbediebie, truut en een gekalibreerde kwibus. En dan hoefden we niet zo schaapachtig stom te lachen als het woord goesting, plezant of amaai valt. En is er al eens door middel van een vergelijkend warenonderzoek uitgezocht hoe Nooit meer slapen is vertaald in het Engels, Duits en Frans?

Etymologie

* van Middelnederlands "kemel" "kameel" met de klemtoon op de eerste lettergreep (13e eeuw), waarschijnlijk ontleend aan Byzantijns of Middelgrieks "κάμηλος" (kámèlos), mogelijk via het "kemel"

Vertalingen

Engelscamel