keilen

/ˈkɛilə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. sport, inerg (sport) (inerg) ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
    De jongens vermaakten zich door met steentjes over de vijver te keilen.
    {{ouds
  2. ov (ov) gooien, smijten
    Woedend keilde hij zijn leerboeken uit het raam.
  3. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) snel in grote hoeveelheid drinken
    Bij het achterover keilen van een biertje moet het hoofd even in de nek geworpen worden.

Etymologie

*van het Middelnederlands "keylen" "een werpspel"