katheder

onzijdig (het)/kɑˈtedər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spreekgestoelte
  2. lessenaar
    De Schelp zei dat ik de deur van het klaslokaal dicht moest doen en toen stond ik daar voor de katheder en was er geen weg terug meer mogelijk.
  3. religie (religie) bisschopszetel

Etymologie

* Via het Latijnse cathedra van het Oudgriekse καθέδρα