kasplantje

/ˈkɑsplɑɲcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk (figuurlijk) onweerbaar of weinig weerbaar persoon
    Bang om dood te gaan is ze niet. Bang om gereanimeerd te worden wel. „Ik hoef niet opgepompt te worden om vervolgens als kasplantje verder te leven.”
  2. figuurlijk (figuurlijk) eenvoudig te verstoren ontwikkeling
    Het vredesplan voor Midden-Amerika, dat op zeven augustus door vijf Middenamerikaanse presidenten in Guatemala-Stad werd ondertekend, blijft een kasplantje met twijfelachtige levenskansen.

Etymologie

*"kasplant"