karren

meervoud/ˈkɑrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) (snel) met een voertuig rijden
    Dat boompje leek me een soort hindernis. „Onzin!” zei ik tegen mezelf. „We karren er gewoon overheen!”
  2. ov (ov) in een bak op wielen vervoeren
    Eén van de ovens was een zogeheten veldoven, waarvan de lange zijden gemetseld werden van oude stenen en de kopzijden gebruikt werden om de groene (droge,ongebakken) stenen naar binnen te karren en te stapelen.
zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) smalle gleuven in rotsen die ontstaan door regen- of smeltwater dat langdurig stroomt over kalksteen, steenzout of andere gesteenten die kunnen oplossen in water
    In de jaren '90 is bij het afgraven van de kalksteen door de ENCI een ingestorte karstholte in een ondergrondse groeve ontdekt. Ook zijn hier en daar karren met allerlei grillige patronen te zien.
werkwoord
  1. inerg (inerg) een krakend of knarsend geluid voortbrengen

Etymologie

*[C] : van Middelnederlands "kerren"