kraken

/ˈkrakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een krakend geluid maken
    Die deur kraakt en moet gesmeerd worden.
  2. ov (ov) openbreken
    Deze noten zijn moeilijk met de hand te kraken.
  3. ov, informatica (ov), (informatica) inbreken in iemands computer
    De computer van dat bedrijf is gisteren gekraakt.
  4. ov (ov) een leegstaand pand illegaal bewonen
    Als dit pand niet snel verhuurd wordt, kraken wij het.
  5. ov (ov) er heel negatief over spreken of schrijven
    Het boek werd in de krant gekraakt.
    Snoeiharde kritiek op bizarre ‘horrorkruising’: ‘Hier gaan kinderen verongelukken’: Veilig Verkeer Nederland kraakt het ontwerp van de fonkelnieuwe kruising in de Gelderse plaats Putten. Volgens verkeersconsulent Peter Buter is de ‘horrorkruising’ gevaarlijk voor fietsers en moet de maximumsnelheid omlaag. Een rotonde was volgens hem wenselijker geweest.
  6. ov, informeel, medisch (ov), (informeel), (medisch) een chiropractische handeling verrichten op iemands ruggengraat
  7. ov, scheikunde (ov), (scheikunde) een techniek voor het vervaardigen van chemische producten uit aardolie
    Wanneer olie gekraakt wordt door verhitting al of niet onder toevoeging van stoom, waterstof en/of een katalysator ontstaan er kleinere moleculen die verder te verwerken zijn.
zelfstandig naamwoord
  1. een fabeldier met enorme afmetingen en met enorme tentakels.

Etymologie

*uit het Middelnederlands, afgeleid van de Germaanse wortel krk, een klanknabootsing,

Uitdrukkingen

  • [2] een auto / brandkast / raadsel kraken
  • [3] een code / computer / raadsel kraken

Vertalingen

Duitsknarren, knacken, knacken
Deenssmælde