kapsones

meervoud/kɑpˈsonəs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (kouwe) drukte; in 'kapsones hebben': het hoog in de bol hebben, een overdreven hoge dunk van zichzelf.
    Wat heeft die vent een kapsones, zeg!

Etymologie

*, leenwoord uit "גאַותנות‎" (gavsones), uit Hebreeuws "גַּאַוְתָנוּת" (ga'av'tanút), letterlijk: "hoogmoed", in de betekenis van ‘koude drukte’ voor het eerst aangetroffen in 1900 (niet 1906 ), voor de vroegste vindplaatsen zie hieronder.

Vertalingen

Engelssnobbery, cockiness, stuck up
Franschichis, esbroufe, esbroufe
DuitsSchnöselei, verschnöselt