kapotje

/kaˈpɔcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel, seksualiteit (informeel), (seksualiteit) voorbehoedsmiddel dat om de penis aangebracht wordt
    Ga wat kapotjes halen!

Etymologie

*[2] van "capote" (), een verkorting van de schertsende uitdrukking "capote anglaise" (1836); in de betekenis van ‘condoom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912.

Vertalingen

EngelsFrenchie, rubber
Franscapote
DuitsGummi
Spaansgoma, forro
Italiaansguanto
Portugeescamisinha