kapotgaan

/kaˈpɔtxan/

Betekenis

werkwoord
  1. beschadigd raken waardoor iets niet meer functioneert
    Als je een kopje laat vallen gaat het kapot.
  2. verouderd, informeel (verouderd) (informeel) het leven verliezen

Vertalingen

Engelsbreak, break down
Spaansestropearse, romperse