sterven
/ˈstɛrvə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) overgaan van levende toestand naar dode toestandGelukkig is hij niet gestorven, maar toen hij terugkeerde in het klooster, heeft hij de monniken nóóit meer verboden liedjes te zingen voor Sint Nicolaas.Maar het moment waarop een klimmer ergens hoog boven de zeespiegel sterft begint het pas voor vrouw, kinderen en familie die achterblijven.
- uitdoven, stil wordenHet was van zijn moeder, haar lievelingsschilderijm' Mijn stem stierf weg.' Olive lachte, maar het geluid stierf al snel weg, want de omschrijving had vaag iets medisch, wat, anders dan ze had bedoeld, niet grappig was.
Etymologie
*Mogelijk van Protogermaans *sterbh. Verwant met o.a.: "sterƀan", "sterban", "sterben", "sterva", "steorfan", "starve", "stjarfi", Latijn "torpere". In de betekenis van ‘doodgaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Vertalingen
Engelsdie, expire, pass away
Fransmourir
Duitssterben
Spaansmorir, fallecer, acabarse
Italiaansmorire
Portugeesmorrer
Japans死ぬ, しぬ, shinu
Turksölmek
Poolsumierać
Zweedsavlida, dö
Deensdø
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek