kapot
vrouwelijk (de)/kaˈpɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) (verouderd) ruime mantel met een kap die het hoofd tegen regen beschermt
- (kleding) (verouderd) wijde muts
Etymologie
*capot (een schrijfwijze van voor 1805)
Uitdrukkingen
- Zich kapot schrikken. — heel erg schrikken
- iemand kapot maken. — Iemand doden.
Vertalingen
Engelsbroken, broken, defective
Fransbrisé, cassé, abîmé
Duitskaputt, zerbrochen, beschädigt
Spaansquebrado, roto, destrozado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek