kapok
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde) (plantkunde) zaadpluis van kapokboom dat werd gebruikt als vulmiddel voor kussens en matrassen
Etymologie
* Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘zaadpluis van kapokboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1620
Vertalingen
Spaansárbol del algodón, capoc, ceiba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek