kapoen

mannelijk (de)/kaˈpun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gesneden of gecastreerde haan
    {{ouds
  2. iemand die ondeugend is
    {{ouds

Etymologie

* Leenwoord uit het (Noordfranse) "capon" (mod. "chapon") , in de betekenis van ‘gecastreerde haan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelscapon
Franschapon
DuitsKapaun
Spaanscapón
Italiaanscappone
Portugeescapão
Russischкаплу́н
Zweedskapun
Deenskapun