kantelen

meervoud/ˈkɑntələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) omvallen door onevenwicht
    Schepen kunnen kantelen als de lading gaat schuiven.
  2. ov (ov) wat verdraaien om een horizontale as
    Toen hij de doos wilde kantelen scheurde de bodem los.

Etymologie

*[B] "kanteel" met de uitgang -en