Kant

mannelijk (de)/kɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (m)/(n), (textiel) een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden
    Het kant op de rok was netjes afgewerkt.
  2. (m) richting
    De juiste kant werd aangegeven op het bord.
    Waakzaam schoten mijn ogen alle kanten op, speurend naar verborgen slangen in het struikgewas.
  3. (m) zijde
    Een vel papier heeft twee kanten.
    Het is de vraag van welke kant je dat bekijkt.
    `Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.
  4. kleur (n) (kleur) de kleur van de onder [1] genoemde stof hebbend
    Heeft u die ook in het kant?

Etymologie

#kloek, stevig (vooral gezegd over mannen)

Uitdrukkingen

  • langs de andere kant
  • Aan de andere kant...Manier om aan te geven dat men ook tegenovergesteld over iets kan denken, dat er een zaak meerdere aspecten zitten
  • Aan de kant zettenIemand of iets niet meer raadplegen of gebruiken
  • Dat raakt kant noch wal.Dat is onzin, dat is volstrekt onhoudbaar
  • De liefde kan niet van één kant komen.Als je samen iets doet, zal ieder afzonderlijk moeten bijdragen
  • Een dubbeltje op zijn kantEen gevaarlijke situatie die nog net goed is opgelopen
  • Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener.Men denkt vaak dat anderen geen problemen hebben, als men die zelf wel heeft
  • Iemand van kant makenIemand doden

Vertalingen

Engelslace, side
Fransdentelle, côté
DuitsSpitze, Seite, andererseits
Spaansencaje, lado
Deensblonde, side, side