kaartjescontroleur

mannelijk (de)/ˈkarcəsˌkɔntroˌlør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die (in het openbaar vervoer) controleert of een reiziger een geldig vervoersbewijs bezit
    "We moeten terug naar vroeger", valt een andere passagier haar bij. "Toen was er behalve de chauffeur ook een kaartjescontroleur op de bus. Zonder kaartje kwam je er niet in. Nu stapt iedereen maar de bus in en verliest het bedrijf geld."
    De kaartjescontroleur en zijn collega’s werden belaagd en bedreigd in een tram van lijn 19. Agenten schoten te hulp. Een controleur die werd bedreigd met een mes, liep een lichte verwonding op. De recherche onderzoekt de zaak.