kaars
mannelijk/vrouwelijk (de)/kars/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lontVroeger had men 's nachts slechts kaarsen als verlichting.Om drie uur 's nachts ging ze uitgeput op haar matras liggen en staarde naar de balken en het afbladderende plafond, waarvan de ruwe, hoge hoeken werden verlicht door het zwakke schijnsel van de kaars naast haar bed.Tot mijn verrassing en ontroering hadden ze een verjaardagstaart voor me gemaakt van een oude resupplydoos met 44 kaarsjes erop.
- (natuurkunde), (eenheid), (verouderd) oude eenheid van lichtsterkte (de zg. normaalkaars, thans candela)De winkelier zei dat deze lamp een lichtsterkte heeft van 30 cd, vroeger zou men zeggen: "een lamp van 30 kaars.".
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Doven/Uitgaan als een kaars in de nacht — Min of meer onopgemerkt een einde nemen (≈ Uitgaan als een nachtkaars)
- Een kaarsje aansteken — Hopen dat iets waarvan de uitkomst onzeker is, toch nog goedkomt
- Een kaars voor de duivel branden — Iets slechts vergoelijken/Eer betuigen aan iemand die slechte dingen doet
- Zijn kaars aan twee kanten branden — Zijn krachten en/of potentieel te snel opgebruiken
- Geen heilige zo klein of hij wil zijn kaarsje hebben — Iedereen boogt graag op goede prestaties
- Iedere heilige komt zijn kaarsje toe — Iedereen die ergens aan meewerkt, moet daarvoor ook iets van de eer/credits krijgen
- Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien en lezen wil? — Als iemand onwillig is om iets bij te leren of om een bepaald standpunt te herzien, heeft voorlichten ook geen zin
Vertalingen
Engelscandle, candlepower
Fransbougie, bougie
DuitsKerze
Spaansvela, candela, cirio
Italiaanscandela
Portugeesvela
Russischсвеча
Chinees蜡烛
Japans蝋燭
Koreaans초
Arabischشمعة
Poolsświeca, świeczka
Zweedsljus
Deenslys
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek