juwelier

mannelijk (de)/ˌjuwəˈlir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
    We zijn daarna bij de juwelier geweest.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘handelaar in juwelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1520

Vertalingen

Engelsjeweller, jeweler
Duitsjuwelier, Juwelier
Spaansjoyero
Italiaansgioielliere, gioielliera
Zweedsjuvelerare