juweel

onzijdig (het)/jyˈwel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
    De vorstin droeg juwelen van onvervangbare waarde.
    Haar juwelen rinkelden terwijl ze haar zachte, warme armen spreidde voor een langverwachte omhelzing die noodlot was en bestemming, en heel even giechelde ze omdat alles eindelijk logisch was.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kostbaar sieraad’ voor het eerst aangetroffen in 1287

Vertalingen

Engelsgem, jewel
Spaansjoya