juffrouw

vrouwelijk (de)/jʏˈfrɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (jonge), gewoonlijk ongehuwde, vrouw
    ' Ik vroeg me af wat hij dacht - voelde hij zich gekwetst omdat ze hem niet had verteld dat ze ziek was, of was hij alleen maar geschokt en bedroefd omdat ze dood was? 'Ik wil graag dat u en juffrouw Rudge de begrafenis regelen,' zei hij.
    ' 'Waarom niet? Wat denken ze dat ik heb gedaan?' 'Maakt u zich geen zorgen, juffrouw Bastien.
    Zou ik minder bang zijn geweest als ik had geweten dat me daar het testament van juffrouw Marjorie Quick zou worden voorgelezen? Ik zou het niet weten.
  2. kindertaal (kindertaal) lerares, onderwijzeres, juf
    De juffrouw riep ons terug van het schoolplein.

Etymologie

* In de betekenis van ‘(ongehuwde) vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1451

Vertalingen

Engelsmiss, spinster, unmarried woman
Spaansseñorita, soltera, maestra