jatten

/ˈjɑtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    Het bleek dat zijn mobieltje gejat was door Ronald.
    Maar er zijn ook mensen van buiten het tuindorp die even een schuttinkje van een sloopwoning komen jatten, weten ze.
    Aan het eind van de week kochten of jatten Mick, Brian en Keith de muziekbladen en bestudeerden de hitparade, zonder de illusie te koesteren dat zij daar ooit in zouden staan.

Etymologie

*: "jat" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelsnick
Spaansbirlar, afanar, mangar