inbouwkeuken
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈimbɑuˌkøkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) geheel van grote apparaten, bergmeubels en werkvlakken die zo op elkaar zijn afgestemd dat ze een doordacht ontworpen en passende inrichting van de kookruimte in een bepaalde woning vormen (meestal als geheel verkocht en geplaatst)Maar de nette woning – „met dank aan de schoonmaker” – is van alle gemakken voorzien: een inbouwkeuken met moderne apparatuur, een ruime woonkamer, een groot dakterras en drie slaapkamers.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek