hupsen

/hʏpsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) zich schoksgewijze bewegen
    Ze kunnen wel zwemmen, maar liever hupsen ze met hun borstvinnen door de modder, waar ze krabbetjes zoeken, territoria verdedigen en elkaar het hof maken.
    Maar kijk uit, dat je met die hondjes niet in vliegend weer verzeilt, want dan hupsen ze van de ladder en wie er onder staat, krijgt niet eens de kans om te roepen: één-nul voor Hein.
    Sy sprongh mijn strack op mijn Schoodt,Hondtje sey sij laadt ons hupsen,(…)
  2. intr (intr) springerig dansen
    In een zaaltje van een klein sportcomplex in de Haagse Schilderswijk hupsen drie meisjes van een jaar of zes op en neer op top-40-muziek die uit een radio schalt.
    De fabrieksmeid kon alleen harkerig hupsen en rokzakken.
  3. ov, verouderd (ov) (verouderd) nauwelijks verstaanbaar uitspreken

Etymologie

*[3] wellicht (klanknabootsing)