huismuur

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de buitenmuren van een gebouw waarin mensen woont
    Maar is er sinds 2002 in hun stadsgrachten en tegen hun huismuren ook maar een halve liter minder wildgeplast dan vóór die tijd? Beloften! Geert komt met daden. Twee keer op straat je gulp opengeritst? Terug naar Marokko. Dat zal ze leren. NRC Jan Blokker 15 maart 2010 [https://www.nrc.nl/nieuws/2010/03/15/het-wij-gevoel-van-de-buitenhofcolumnist-11863217-a946501 Het wij-gevoel van de Buitenhofcolumnist]
    De situationisten schreven vijftig jaar geleden op de Parijse huismuren: „Ne travaillez jamais!’’ Een tentoonstelling in Bremen haakt in op de discussies over werk en vrije tijd – aan de hand van kunst. Zo maakte Francis Alÿs in Mexico City een reportage van zichzelf terwijl hij zich tussen de werk zoekende elektriciens mengde. NRC 2 november 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/11/02/duitsland-11221419-a1200750 Duitsland]
    Zo moeten Che’s mannen om twee scherpschutters in een kerktoren te neutraliseren eerst vijf huismuren slopen met een voorhamer. Dat komt allemaal in beeld. NRC Coen van Zwol 19 maart 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/03/19/in-twee-guerrillacampagnes-ondergedompeld-11699762-a841330 In twee guerrillacampagnes ondergedompeld]