huis
onzijdig (het)/hœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonenZij wonen in een groot huis.Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn?
- geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomstDie mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
- geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekendHet huis van Oranje.
- (bedrijf) eenvoudige onderneming van twee of meer personenProducten zijn te koop bij ons huis.
- iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevattenHet huis van de kogel.
- zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instellingHet Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.
- (astrologie) elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebiedenHet eerste huis van de horoscoop vertelt je meer over iemands fysieke verschijning
Etymologie
*(erfwoord), via Middelnederlands "huus" van Oudnederlands "hus", in de betekenis van ‘woning’ aangetroffen vanaf 893
Uitdrukkingen
- als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
- [1] Dat is niet om over naar huis te schrijven.
- [1] Elk huis heeft zijn kruis. (alt. Ieder huisje heeft zijn kruisje.)
- [1] Het huis is te klein.
- [1] Hij is het zonnetje in huis.
- [1] Wat het huis verliest, brengt het weer terug.
- er is geen huis met hem te houden
- ergens kind aan huis zijn
Vertalingen
Engelshouse
Fransmaison
DuitsHaus
Spaanscasa
Italiaanscasa
Portugeescasa
Russischдом
Chinees房子
Japans家
Koreaans집
Turksev
Poolsdom
Zweedshus
Deenshus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek