firma

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɪrma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
    Kunnen wij die producten allemaal bestellen bij die firma?
  2. economie (economie) een zaak of bedrijf
    We hebben weer eens een nieuwe firma in de stad.
    Na meer dan 1.000 kilometer gelopen te hebben was mijn eerste paar (La Sportiva wildcat 3.0) tot op de draad versleten. Tot mijn grote verrassing kreeg ik ook een pakket van de firma Zpacks. Mijn Arc Blast rugzak was langzaam uit elkaar aan het vallen door het extra gewicht van de waterflessen, en ze hadden me een nieuwe Arc Haul (680 gram) gestuurd van sterker materiaal.

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘handelsnaam, handelszaak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1806

Vertalingen

Engelsfirm, firm
Franssociété en nom collectif, firme, établissement
DuitsFirma, Firma
Spaanssociedad colectiva, firma, empresa
Italiaansditta