huisje

/ˈhœyʃə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kap of afdak boven iets
  2. slakkenhuis
  3. cocon

Etymologie

*afgeleid van "huis"

Uitdrukkingen

  • Elk huisje heeft z'n kruisjeieder gezin heeft eigen zorgen en problemen

Vertalingen

Engelsbarn, cottage, shed
Spaanscaseta