huisje
/ˈhœyʃə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kap of afdak boven iets
- slakkenhuis
- cocon
Etymologie
*afgeleid van "huis"
Uitdrukkingen
- Elk huisje heeft z'n kruisje — ieder gezin heeft eigen zorgen en problemen
Vertalingen
Engelsbarn, cottage, shed
Spaanscaseta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek