hosten

/ˈhɔstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, informatica (ov) (informatica) via een netwerk toegankelijk maken
    Vier Nederlanders waren volgens de Duitse justitie betrokken bij het hosten van verschillende digitale marktplaatsen, waar onder meer narcotica werd aangeboden.
  2. ov (ov) als gastheer mogelijk maken
    Als eigenaar van PIP verdien ik maandelijks ongeveer 1.200 euro bruto, daarnaast verdien ik nog zo’n 400 euro met de breakdancelessen die ik geef en 300 euro met het hosten en presenteren van evenementen.

Etymologie

*[B] "hoste" met de uitgang -en