host

mannelijk (de)/hoːst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die als gastheer, gastvrouw of presentator van een evenement optreedt
  2. informatica (informatica) computer met programmatuur die in een netwerk andere computers met diensten en gegevens ondersteunt

Etymologie

*[B] de stam van "hossen", "hos" met de uitgang -t