honk

onzijdig (het)/hɔŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitgangspunt en vrijplaats bij kinderspelen
  2. sport (sport) elk van de vier hoekpunten op een softbal- of honkbalveld die een speler moet passeren, wil hij een punt scoren
  3. informeel (informeel) vaste verblijfplaats waar je je op je gemak voelt

Etymologie

* Van niet-Germaanse oorsprong, zijnde een nasale variant van hok, hoek en wellicht ook haak, mogelijk ontleend aan een substraattaal , van een hypothetische verbale wortel *hVk- 'afgrendelen, vergrendelen' ?