thuis
onzijdig (het)/tœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een plek waar iemand woont en zich veilig voeltHier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis.` Welke plek noemde jij thuis voordat je hier kwam?'`De woestijn,' zei hij. 'Maar meneer Montebello heeft ervoor gezorgd dat ik de woestijn ben vergeten. Ik ben hem daar dankbaar voor.'Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.
Etymologie
*Samentrekking van te-huis.
Uitdrukkingen
- [[grote-stappen-snel-thuis — Grote stappen, snel thuis]]|Een gecompliceerde kwestie op een makkelijke en snelle manier proberen op te lossen (waarbij het resultaat vaak slechts een schijnoplossing is)
- Niet thuis geven — Niet komen met een gepast antwoord of de juiste reactie
- Oost west, thuis best — Waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak
- Thuis is in je schuur — Je bent weinig thuis
- Van alle markten thuis zijn — Veel kunnen en handig zijn of veel weten
- Van iets niet thuis zijn
- Zijn trekken thuis krijgen — Door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek)
- Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens — Uiteindelijk is het thuis toch het beste toeven
Vertalingen
Engelsat home
Franschez-soi
DuitsZuhause
Spaanshogar, casa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek