honderd
onzijdig (het)/ˈhɔndərt/
Betekenis
telwoord
- "100", het getal tussen negenennegentig en honderdeen, tien maal tien
- om een hoeveelheid aan te gevenDe totale kosten bedragen honderd euro en zevenendertig cent.'s Zomers woont Sinterklaas in een groot paleis in Spanje, met al zijn honderd Pieten.Sommige stukken waren lastig, met steile hellingen waardoor het soms wel anderhalf uur duurde om een stuk van twintig meter over te steken. Als je hier zou uitglijden zou je honderden meters naar beneden vallen.
- om een plaats in een volgorde aan te gevenHet juiste antwoord op opgave honderd is "42".
zelfstandig naamwoord
- honderd als hoeveelheidDeze potloden worden alleen bij het honderd verkocht.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hondert" van Oudnederlands "hundret", als telwoord voor het eerst aangetroffen in de (1151-1200); cognaat met "hunderod"
Uitdrukkingen
- In het honderd lopen — Verkeerd gaan, mislukken
Vertalingen
Engelshundred
Franscent
Duitshundert
Spaanscien, ciento
Italiaanscento
Portugeescento
Russischсто
Turksyüz
Poolssto
Deenshundrede
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek