tien
mannelijk/vrouwelijk (de)/tin/
Betekenis
telwoord
- "10", het getal tussen negen en elf
- om een hoeveelheid aan te gevenDe totale kosten bedragen tien euro en zevenendertig cent.'Moet je nu zien!', zucht patron Thierry Gleize (49). 'Moeilijk, moeilijk... binnen tien jaar is het hier afgelopen.'
- om een plaats in een volgorde aan te gevenHet juiste antwoord op opgave tien is "42".
zelfstandig naamwoord
- dat wat in een (rang)ordening met 10 is aangeduidHet is weer de tien die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?Haar elfde verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de tien eenmaal voorbij was.
- (onderwijs) (in het Nederlandse onderwijssysteem) het hoogst mogelijke en dus beste cijferHij had een uitzonderlijke aanleg voor wiskunde en haalde daarvoor zonder veel inspanning een tien op zijn rapport.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "tien" van Oudnederlands "tēn", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Uitdrukkingen
- Tien tegen één — Een heel grote kans op iets (zonder 100% zekerheid)
- Een tien! — Helemaal goed (gedaan/geraden enz.)
- Een tien met een griffel (en een zoen van de juffrouw) krijgen — Een resultaat behalen dat grote trots rechtvaardigt
- niet
Vertalingen
Engelsten
Fransdix
Duitszehn
Spaansdiez
Italiaansdieci
Portugeesdez
Russischдесять
Turkson
Zweedstio
Deensti
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek