hommer
mannelijk (de)/ˈhɔmər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mannetjesvis
- (kreeftachtigen) grote zeekreeft van het geslacht
- (scheepvaart) verdikking van masteind tot steun van bramzaling
Etymologie
* Leenwoord uit het Deens, in de betekenis van ‘zeekreeft’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek