hommer

mannelijk (de)/ˈhɔmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mannetjesvis
  2. kreeftachtigen (kreeftachtigen) grote zeekreeft van het geslacht
  3. scheepvaart (scheepvaart) verdikking van masteind tot steun van bramzaling

Etymologie

* Leenwoord uit het Deens, in de betekenis van ‘zeekreeft’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872