hoer

vrouwelijk (de)/hur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
    In die straat kun je veel hoertjes aantreffen.
  2. scheldwoord, figuurlijk (scheldwoord) (figuurlijk) nare vrouw; vooral gebruikt met de bijgedachte dat ze relaties onderhoudt met een of meer mannen waarmee ze niet getrouwd is
    De toon is eerder ironisch dan paternalistisch, iets wat wij als liefhebbers van het mede door Reid bedachte pluimveeduo Fokke en Sukke natuurlijk hogelijk waarderen. Maar hoe zal die toon vallen bij het soort mensen voor wie het hele leven in het teken staat van het kankeren op die hoer van hiernaast?

Etymologie

* In de betekenis van ‘prostituee’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • hoer en tollenaar zijn onze lieve Heer ook dierbaarGod houdt van iedereen

Vertalingen

Engelswhore, hooker, slut
DuitsHure
Spaansputa, ramera