hoen
onzijdig (het)/hun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) benaming voor vogels uit de orde , van meest op de grond levende vogels
- (landbouw) bepaald soort vogel, , door mensen gehouden om de eieren en het vlees
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hoen" van Oudnederlands "huon", in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1279
Vertalingen
Engelslandfowl
DuitsHühnervogel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek