hitte

vrouwelijk (de)/ˈhɪtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overdreven warmte
    Hij zoog aan de tabak en Olive hoorde het bevredigende geknisper toen zijn adem de hitte deed toenemen.
    Wat was het heet. Nog nooit had ik dit soort temperaturen meegemaakt. Deze extreme hitte vormde een reëel gevaar.

Etymologie

*: "hit" met de uitgang -e

Uitdrukkingen

  • De mussen vallen van het dak (van de hitte)

Vertalingen

Engelsheat
Franschaleur
DuitsHitze
Spaanscalor, ardor