hit

mannelijk (de)/hɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lied dat in korte tijd zeer populair wordt
    Marco Borsato heeft al vele hits gehad.
  2. informatica (informatica) treffer bij een zoekactie
  3. paard uit een ras dat klein blijft
zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk, historisch (figuurlijk) (historisch) meisje als hulp in de huishouding

Etymologie

*(m) [3], (f): van "Hitland" als verouderde benaming voor "Shetland", in de betekenis van ‘paardje’ voor het eerst aangetroffen in 1778

Vertalingen

Engelshit
Spaanséxito