hengel

mannelijk (de)/ˈhɛŋəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) stok of buis om met een lijn te vissen
    Bij het eerstvolgende open veldje aan het water gooiden we onze spullen neer. Ik wilde dolgraag een keer verse vis vangen en op een kampvuurtje grillen. Vol goede moed ging ik aan de oever van het idyllische riviertje zitten met mijn zelfgemaakte hengel.
  2. elektronica (elektronica) stok of buis om een microfoon op de gewenste plaats te houden
  3. bloemplanten (bloemplanten) een plant uit de bremraapfamilie
    De eveneens zeer zeldzame bosparelmoervlinder houdt nu juist van open kapvlakten, waar zijn rupsen zich voeden met hengel, een plant vooral te vinden is op plaatsen waar kortgeleden eiken zijn gekapt.

Etymologie

* van hangen

Uitdrukkingen

  • Met een gouden hengel vissenDoor bedrog zijn doel halen.

Vertalingen

Engelsrod, fishing rod, boom
Franscanne
DuitsAngelrute
Spaanscaña de pescar, caña