hengel
mannelijk (de)/ˈhɛŋəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) stok of buis om met een lijn te vissenBij het eerstvolgende open veldje aan het water gooiden we onze spullen neer. Ik wilde dolgraag een keer verse vis vangen en op een kampvuurtje grillen. Vol goede moed ging ik aan de oever van het idyllische riviertje zitten met mijn zelfgemaakte hengel.
- (elektronica) stok of buis om een microfoon op de gewenste plaats te houden
- (bloemplanten) een plant uit de bremraapfamilieDe eveneens zeer zeldzame bosparelmoervlinder houdt nu juist van open kapvlakten, waar zijn rupsen zich voeden met hengel, een plant vooral te vinden is op plaatsen waar kortgeleden eiken zijn gekapt.
Etymologie
* van hangen
Uitdrukkingen
- Met een gouden hengel vissen — Door bedrog zijn doel halen.
Vertalingen
Engelsrod, fishing rod, boom
Franscanne
DuitsAngelrute
Spaanscaña de pescar, caña
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek