Heide
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɛidə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie), (plantkunde) een met heidekruid begroeide vlakteZijn huis staat in het midden van een grote heide.
- (geologie) uitgestrekte, onbebouwde zandgrond
Etymologie
*(erfwoord) Van heide, hede, van *heitha, *hētha, van *haiþī, *haiþijō.
Vertalingen
Engelsheath, moor
Fransbruyère, lande
DuitsHeide
Spaansbrezal, landa
Italiaansbrughiera
Portugeescharnecas
Russischвересковые пустоши
Poolswrzosowisko
Zweedshedmark
Deenshede
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek