heiboer
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- boer die een kleine boerderij heeft op arme grondIn zijn column Tukker (20/4) verwijst Hugo Camps naar de eigenschappen die Erik ten Hag door sportjournalisten toegedicht kreeg vanwege zijn Twentse afkomst: Tukker, het accent van een bietenveld, onbereikbaar voor taal, mode en drank, agrarische no-nonsense, gorgelend accent, brabbeltaaltje, sobere heiboer, provinciaal stamboomtukker. Camps: „Zet Ten Hag op een tractor en fluitend bemest hij heel Twente.” In dezelfde krant schrijft Youp van ’t Hek over een rare Twentse tuinkabouter (Paasvuurtjes, 20/4). Het roept bij mij de vraag op of de redactie van NRC minder alert is geworden op stereotyperingen en vooroordelen ten aanzien van bevolkingsgroepen en andere minderheden? NRC 24 april 2019 [https://www.nrc.nl/nieuws/2019/04/24/brieven-2442019-a3957884 Brieven 24/4/2019]
- domkop, sukkel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek