Hebben
onzijdig (het)/ˈhɛbə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (auxl) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijdenIn een oude National Geographic had ik ooit als kind een artikel over deze trail gelezen, 4.286 kilometer door Amerika. Dit heb ik altijd onthouden, maar ik had nooit gedacht dat zo’n lange wandeltocht voor mij weggelegd zou zijn.
- (absol) (rechtmatig of wederrechtelijk) bezittenIk heb een mooi huis.
- (absol) als onderdeel hebben, omvatten, bevattenEen auto heeft vier wielen.
- (absol) lijden aanHij heeft aids.
- (absol) in dienst hebbenHet bedrijf heeft 50 werknemers.
- (absol) drukt een familierelatie uitHij heeft drie kinderen.
- (absol) in zijn macht hebbenDe rebellen hebben de hoofdstad.De politie heeft de verdachte.
- (absol) als taak zich bezig moeten houden metKlas 2C heeft nu Frans.Dhr. Anthonis heeft deze klant.
- (absol) kunnen ~ overweg kunnen met iemandIk kan hem niet hebben.
- (absol) kunnen ~ weerstaan, doorstaan, goed bestand zijn tgenDie vertraging kunnen we er niet meer bij hebben.Dit team kunnen we hebben.Wat een gedoe, meer dan dit kan ik niet hebben.
- (absol) een relatie hebbenHij heeft met Linda.
- (absol), (auxl) ~ te: moeten, verplicht zijn omDat heb je maar te doen/laten!
- (absol) ~ over: als onderwerp van gesprek hebbenWaar heeft u het eigenlijk over?
- (absol) ~ aan: ergens nut van hebben, ergens baat bij hebbenDaar heb je helemaal niets aan.
werkwoord
- hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
- hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
zelfstandig naamwoord
- het bezit
Etymologie
Mogelijk zijn al deze verschillende wortels al vroeg in de verschillende Indo-Europese talen door elkaar gehaald en hebben ze elkaar hierdoor in onderlinge betekenisovereenkomst versterkt. Er is ook nog de verklaring dat *ghebh-)/*ghab(h)-/*kap- onderling toch allemaal verwant zijn in het PIE.
Uitdrukkingen
- af te rekenen hebben met
- vandoen hebben met
- Behoefte aan iets hebben
- Het gehad hebben — Ergens genoeg van hebben, er klaar mee zijn, het beu/moe zijn
- Het mis hebben
- Het op iets gemunt hebben
- Van heb ik jou daar — Gezegd van iets wat groot, imposant e.d. is
- Wel heb ik jou daar! — Uitroep van verbazing
Vertalingen
Engelshave, stand, have
Fransavoir, supporter, avoir
Duitshaben, irren, haben
Spaanshaber
Italiaansavere, avere
Poolsmieć, musieć
Zweedsha, äga
Deenshave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek