havoleerling

mannelijk (de)/ˈhavoˌlerlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die havo-onderwijs volgt
    Fatima Bakhaeva sloot haar examenperiode vandaag af met Russisch. Ze vond het examen een makkie en gokt op een 9. Geen tien, want er zal vast wel een slordigheidsfoutje in zitten, zegt de havoleerling van het Christelijk Lyceum Apeldoorn.
    Bij het eindexamen aardrijkskunde hebben 23 havoleerlingen een aantal vragen gekregen die voor vwo'ers bedoeld waren. De fout is afgelopen donderdag door een school gemaakt, schrijft het AD. De naam van de school is niet bekendgemaakt. Door deze fout moet nu in allerijl het landelijk examen aardrijkskunde voor het vwo worden aangepast.

Etymologie

*, aaneengeschreven volgens