hartverzakking
vrouwelijk (de)/ˈhɑrtfərˌzɑkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- schrik die zo groot is dat je bloedsomloop tot stilstand lijkt te komenIn plaats van 450 bezorgen nu dagelijks 400 ‘asofietsers’ hun stadsgenoten bijna een hartverzakking – vooral bij de afdaling kan het hard gaan op de brug. Hoezo, een succes!Zo min mogelijk remmen is een gewoonte geworden, ook op de snelweg. Ik duik in gaten, onbewust ook wel eens aan de rechterkant, waarmee ik de verkeersregels natuurlijk grof overtreed. Daarbij kan het best zijn dat ik dicht langs de bumper van een medeweggebruiker scheer. Niet uit lompigheid of irritatie, maar gewoon omdat ik dat gewend ben en omdat mijn inschatting van ruimte en afstand veel beter is geworden door het wielrennen. Dat andere automobilisten daar wel eens een hartverzakking van krijgen snap ik best, maar ik kan het gewoon niet helpen. Ik doe het niet expres.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek