hart

onzijdig (het)/hɑrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) holle spier die door geregeld samen te trekken bloed door het lichaam pompt
    Het hart klopt tussen de 60 en 100 keer per minuut.
  2. kern van iemands wezen, iemands diepste gevoelens
    Als de Steenlandse kinderen dit werk zagen zeiden ze minachtend, terwijl ze hun neus optrokken en wegliepen, dat zij er niets aan vonden en dat het helemaal niet zo moeilijk was om zoiets te maken en dat ook zij het wel konden. Maar zij konden het niet en in hun hart waren ze jaloers op de kunst van Kleine Woord, zoals de jongen werd genoemd. {{Aut|Herzen, Frank
  3. figuurlijk (figuurlijk) iets wat een centrale rol speelt in een geheel
    Hij woonde in het hart van Enschede.
    Dit echtpaar vormde jarenlang het hart van de club.

Etymologie

:Italisch Latijn: cor, : cœur, : cuore, coração, : corazón

Uitdrukkingen

  • aan het hart laten komen
  • Aan het hart gaanGezegd van iets aangrijpends/deerniswekkends
  • Alle harten bij jezelf nemenBij het beoordelen van anderen ook steeds rekening houden met je eigen positie
  • Alle harten bij/naar je eigen
  • Bloed voor het hart krijgenMedelijden hebben met iemand; gewetensbezwaren hebben
  • Dat is iemand naar mijn hartDat is iemand die mij helemaal ligt, of die ik graag mag
  • [Met] de hand over het hart strijken/Over zijn [goede] hart strijkenZich vergevingsgezind tonen, blijk geven van enige clementie
  • Een gebroken hart hebbenErg verdrietig zijn (m.n. door pech in de liefde)

Vertalingen

Engelsheart
Franscœur
DuitsHerz
Spaanscorazón
Italiaanscuore
Portugeescoração
Russischсердце
Chinees心臟, 心脏
Japans心臓, 心
Koreaans심장
Arabischقلب
Turksyürek, kalp
Poolsserce
Zweedshjärta
Deenshjerte