handwerkwinkel
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- winkel waar men handwerkmaterialen kan kopenZij, die net als haar eigen moeder nog nooit één dag thuis had doorgebracht tenzij dat te wijten was geweest aan het weekend, feestdagen of ziekte, en die in alle 8 maart-demonstraties had meegelopen met leuzen als Gelijk loon voor gelijk werk en Baas in eigen buikIn Stavanger had ze zelfs haar eigen winkel gehad, een wol- en handwerkwinkel die Maskepi heette, in het verste hoekje van het winkelcentrum in Mariero.Dat mensen massaal zoeken naar 'iets fröbeligs' ziet ook Fred Brugmans, eigenaar van een handwerkwinkel in Nijkerk. De winkel heeft het twee keer zo druk als vorig jaar deze periode.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek