hand

vrouwelijk (de)/hɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) uiterste deel van de arm, voorbij de pols
    Zij heeft in haar hand een groot boek.
    Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.

Etymologie

*uit Middelnederlands: hant verwant aan : hand en : Hand, handus. Niet buiten bekend.

Uitdrukkingen

  • twee handen op één buik
  • hand in hand gaanSamengaan, altijd samen voorkomen
  • hand over hand toenemenSteeds erger worden
  • Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon.Wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
  • Als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand.Als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp
  • Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.Kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen
  • De hand aan de ploeg slaan.Flink aan het werk gaan
  • De hand in eigen boezem stekenDe schuld (ook) bij zichzelf zoeken

Vertalingen

Engelshand, run out of control
Fransmain
DuitsHand, verkaufen, außer Kontrolle geraten
Spaansmano
Italiaansmano
Portugeesmão
Russischрука, кисть руки
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischيَد, يد
Turksel
Poolsdłoń
Zweedshand
Deenshånd