handspiegel

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een spiegel die men met een steel in de hand kan houden om zichzelf te kunnen zien
    Catharina pakte de kleine handspiegel die Lambert op haar nachtkastje had gelegd en bestudeerde haar gezicht.
    De overledene, die tussen de 25 en 30 jaar oud was, wilde er volgens haar ook als lijk mooi bij liggen. Ze had op haar laatste reis onder meer een handspiegel, schminkpalet voor het opbrengen van make-up en potjes en flesjes voor zalfjes en lekkere luchtjes bij zich.

Vertalingen

Engelshand mirror